Vuurminnaars
In het blog van vorige week schreef ik over bosbranden en dat het vaak productiebossen zijn die vlam vatten. Maar als we eerlijk kijken naar de geschiedenis: er woeden al eeuwenlang bosbranden in Zuid-Europa. Lang voordat de mens er rondliep, kwamen er al branden voor. De inheemse flora heeft zich in al die millennia meesterlijk aangepast aan het vuur en noem ik liefkozend 'vuurminnend'. Ze hebben vuur zelfs hard nodig om zich voort te planten, zoals de cistusroos.
Deze struik is extreem ontvlambaar, vooral de Cistus ladanifer. Hij zit boordevol etherische oliën en een taaie, kleverige hars die 'labdanum' heet. De lokale bevolking verzamelde die heerlijk ruikende hars vroeger uit de struiken (en zelfs uit de vacht van geiten!) voor parfum en medicijnen. Maar dat spul fikt als een tierelier als het eenmaal brandt. Bovendien zijn de zaden van deze struik steenhard en hebben ze juist de intense hitte van een vuurzee nodig om te kunnen ontkiemen in de zwartgeblakerde verwoesting. Een andere bekende pionier is het wilgenroosje (Chamaenerion angustifolium). Na een verbranding is dat een van de allereerste planten die uit de as herrijst. In het Engels heet deze plant dan ook heel toepasselijk fireweed.
Een andere bijzondere vuurminner is de Canarische den (Pinus canariensis). Iedereen herinnert zich vast nog wel de verwoestende vuurzee in 2023 op Tenerife. Helaas voor de eilandbewoners zijn bosbranden daar puur natuur. Dat zie je aan de Canarische den. Waar andere dennen het loodje leggen, beschermt hij zijn vitale binnenlaag met een ijzersterke, dikke schors. Zo'n zwartgeblakerde boom lijkt direct na de brand dood, maar schijn bedriegt. Al na een paar weken tot enkele maanden ontspruiten er uit de zwarte stam en takken weer nieuwe groene scheuten. Hij herrijst letterlijk als een feniks uit zijn eigen as.
De Canarische den is op Tenerife een beschermde soort die je niet mag kappen. Maar als je hoger op het eiland woont, wil je natuurlijk niet dat zo'n natuurlijke brand ook je huis meeneemt. Jouw huis herrijst immers niet spontaan uit de bodem. Wat doe je dan?
Gelukkig biedt de permacultuur uitkomst, mits je de logica aanpast aan het eiland. In Noord-Europa leren we dat we een vruchtbare bodem opbouwen met een dikke laag organische mulch. Maar op Tenerife wordt dit door de felle zon verteerd en organische mulch verandert in no-time in een droge, poederachtige laag die ontzettend brandbaar is.
De permacultuur oplossing
Creëer een 'Defensible Space': Zorg er in een straal van minstens 10 tot 15 meter rondom je huis voor dat je alle droge dennennaalden (pinocha) en losse organische mulch stelselmatig wegharkt.
Gebruik Picón: In plaats van stro of snippers bedek je de bodem met een laag van 5 tot 10 cm picón. Dit is een natuurlijk vulkanisch gesteente dat fungeert als een onbrandbare deken. Het is heel licht van gewicht en zit vol minuscule poriën. Het houdt het weinige vocht in de grond vast en beschermd de bodem tegen de felle zonnestralen.
'Vertical mulching': Om de bodem te voeden, graaf je diepe geulen, breng je compost diep onder de picón-laag aan of werk je met een geperforeerde, afgesloten buis bij de wortels.
En het bodemleven dan?
Je vraagt je misschien af hoe het bodemleven overleeft als je geen organische laag op de grond gooit. Het geheime wapen van Tenerife zit ondergronds. Micro-organismen en wormen kruipen diep weg in de poriën van het vulkaangesteente en rondom de krachtige wortelzones van diepwortelende planten.
De natuur als ontwerper
Tuinieren op een vulkaaneiland vraagt dat we de natuurlijke omstandigheden accepteren in plaats van ertegen te vechten. Door te ontwerpen met picón en het bodemleven ondergronds de ruimte te geven en inheemse, ijzersterke planten het zware werk te laten doen, bouw je aan een veilige en levende oase op het eiland. Dat is permacultuur.